Mooie pandjes mooie geveltjes

Indulás

Na het wegbuffelen van een McMenu moest ik nog  anderhalf uur zien te overbruggen op Schiphol. Dat kun je het beste doen door aan een bar te gaan zitten.  Alle mannen aan de bar waren eenzame reizigers die zich lieten vergezellen door een biertje. Goed voorbeeld, doet goed volgen. Er zaten ook twee dames aan de bar, die van een wijntje aan het nippen waren. Ik dacht in eerste instantie dat het om twee Duitse schoonheden ging, maar een kakofonie van knäckebrödklanken, die zich vanuit hun hoek versmolt met het ‘smeltkroeg-gebabbel,’ deed me anders vermoeden. Het café op een vliegveld is toch altijd een wat paradoxale bedoeling:  al wachtend is men onderweg. De man rechts van mij moest wel naar een hele vervelende bestemming onderweg zijn. Hij dronk zijn halve liter met een jaloersmakende gulzigheid in een teug leeg. Ik besloot dit goede voorbeeld niet te volgen, want ik heb een hekel aan het vliegtuigtoilet. Gezien mijn postuur is het wellicht geen terechte fobie, maar ik ben bang meegezogen te worden de duisternis in. Het is dat Budapest maar een krappe twee uurtjes vliegen is, want anders had ik een seniorenpamper aan gehad. Lekker warm! Drie palmpjes en drie sigaretten later was het tijd om richting de gate te gaan. Ook de gulzige drinker verliet de bar. Niemand zal zich hem of mij herinneren. Onze lege glazen zijn daarvan de stille getuigen.

Het is fijn om een keer niet met een norse blik van een Ierse zeug geconfronteerd te hoeven worden, maar met een vriendelijke Hollandse glimlach. Bovendien zijn die blauwe stewardessenpakjes echt goed! Alleen daarom betaal je natuurlijk al belachelijk veel voor zo’n ticket. Een biertje in een stripclub is immers ook rond de vijf euro! Je voelt je ook veel veiliger als de gezagvoerder Rooijackers met zijn achternaam heet in plaats van het Ierse Mclaren, dat toch een flesje goedkope Ierse whiskey onder de pilotenstoel doet vermoeden.  Ook wordt de kindermoordenaar in je niet gewekt, want huilende baby’s waren er niet aan boord van de KL1979. Zo kon ik lekker wegdromen in mijn op het vliegveld aangeschafte boek ‘Echte mannen slaan soms hun vrouw.’ Na dertig pagina’s meegenomen te zijn in de denkwereld van de Egyptische man, werd er door de stewardess een vraag gesteld die mij bijzonder vrolijk stemde . “Meneer wilt u een boterham met kaas?” Dat ging er wel in! “Wilt u een biertje?” Dat ging er ook wel in! Toen ik mijn boterham op had en het blikje Heineken leeg was,  fluisterde de olijke stewardess me toe dat ik best nog een biertje mocht. Een kinderlijke blijheid viel mij ten deel. Net voor de landing werd ik nog getrakteerd op een bakje koffie met een stroopwafel. Zo doen ze dat dus bij de ‘Fucking Royal Dutch Airlines!’ De dertig minuten vertraging was ik dan ook snel vergeten.

Aangekomen op Budapest Fleyhergi was het zaak om een louche Hongaarse taxichauffeur te vinden, die mij voor een zacht Oostblokprijsje richting het appartement van Bas zou brengen. Louche was hij wel, maar het zachte Oostblokprijsje kon ik op mijn dikke buik schrijven. Vijfentwintig eurie wilde hij hebben. En dat is best vreemd, want zijn salarisstrook is in Hongaarse forint. Omdat ik niet door hem in een buitenwijk afgezet wilde worden om doorverkocht te worden aan een ziekeling, zoals dat in de film Hostel gebeurt, ging ik akkoord. Het is toch een goede zaak dat ik geen seniorenpamper om had gedaan, want anders had ik deze volgescheten met de lievelingskleur van Bob Ross, ‘Van Dyk Brown.’ De louche snor hield namelijk van klassieke muziek, maar de combinatie van Hongaars Gregoriaans gezang en de hevige sneeuwval zorgde voor een luguber sfeertje in zijn afgedankte Mercedes.

Op de kleintjes letten

Bij sommige producten moet je het niet erg vinden om een paar euro dieper in de buidel te moeten tasten. Neem bijvoorbeeld douchegel. Ik betaal alleen al graag een paar euro meer, omdat de fabrikanten van duurdere producten meer geld investeren in het maken van gelikte reclamefilmpjes. Daardoor roepen hun producten bij mij bepaalde gedachten op. Ik gebruik het liefste Fa douchgel. Als ik me daarmee sta in te zepen moet ik namelijk denken aan geile Brabantse chicks die sensueel een gefrituurde bounty staan te eten op een tropisch eiland. Dat is een fijnere associatie dan een poedelnaakte Hanna Tokkie die een shagje ligt te rollen tijdens haar maandelijkse wasbeurt, hetgeen goedkope douchegel bij me oproept.

Een ander goed voorbeeld van een product waarop je niet moet kneiteren is paprikachips. Paprikachips van een ander merk dan ‘Lays’ verdient die naam niet eens! De Albert Heijn heeft een aardige imitatie in de huismerkschappen liggen, maar die zak scheurt niet goed open. Ook voor de details betaal ik graag een centje extra. Er is ook een goed voorbeeld te geven door een kijkje te nemen in de Aziatische keuken. Rijst! Nog zoiets. Rijstepap weet je oma of opa misschien nog op culinaire waarde te schatten, maar ik heb niets met oorlog, dus ik wil niet dat mijn nasi aan het plafond blijft plakken, mocht ik mij non-verbaal willen uiten aan de dinertafel. Lassie toverrijst is de enige rijst die je als gastronomische nitwit kan koken, zonder dat het een plakkerige substantie wordt. Daarom heet het ook toverrijst! Do the magic! En als je tenslotte bij het drinken van een koud glas aanmaaklimonade geen vervelende flashback wilt krijgen naar een bezoek aan de sadistische tandarts, die je lelijk voor het lapje heeft gehouden toen hij beweerde dat de fluoride waar je in moest bijten naar aardbei zou smaken, dan koop je Karvan Cevitan! Bij Karvan Cevitan smaakt aardbei ook echt naar aardbei!

Heel gek, maar toch kwam ik deze middag thuis met huismerk douchegel, huismerk paprikachips, een zak rijst van twintig eurocent  en aftandse aanmaaklimonade met de leugenachtige tekst ‘aardbei’ op de fles. Acht euro en zesenveertig cent was tot mijn grote schrik het maximaal te pinnen schrale bedrag.  Met het lege kratje bier dat ik kan inleveren, komt dat dus neer op een kleine twaalf euro. De Binsbanki heeft de crisisdans helaas ook niet weten te ontspringen en komt ondanks meerdere verzoeken niet in aanmerking voor staatssteun.

Al gebiedt de eerlijkheid mij te zeggen dat het wanbeleid van de directeur van de bank er  meer debet aan is dan de mondiale crisis dat is. Misschien had het achteraf toch van enige financiële intelligentie getuigd niet voor driehonderd euro met de fucking Royal Dutch Airlines naar Boedapest te vliegen, maar had ik me beter onder het genot van een lauw blik Kilkenny voor slechts drie tientjes in een toestel van Ryanair kunnen laten vervoeren. Het duurt nog drie dagen voordat de Binsbanki uit dit liquide dal kruipt en er weer fatsoenlijke douchegel aangeschaft kan worden. Tot die tijd wordt er geblinddoekt gedoucht. Dat weet ik wel! En er gaat een brief uit naar de Albert Heijn of zij de tekst op hun ‘cheap-ass-aanmaaklimonade’  met aan lichtsnelheid grenzende rapheid willen veranderen in ‘fucking fluoride.’ Wat een smerige toelie! Bam!

Vretenstijd

Iedereen is er weleens geweest.  Een op Amerikaanse leest geschoeide eetgelegenheid. Ik twijfelde even het woord restaurant te gebruiken, maar dat lijkt me nu onlangs de Michelin sterren zijn toegekend niet echt gepast. Ik heb het over een ordinaire vreetschuur waar je voor een vast bedrag in twee uur zoveel mogelijk voer naar binnen mag proppen. Ik mijd die plaatsen liever, maar iedereen met een enigszins sociaal leven ontkomt er soms niet aan. Zo moest ik mij afgelopen vrijdag ook schikken naar de organisator van ons teamuitje. Om half zes stond ik bij een vreetschuur binnen die ‘Etenstijd’ heet. Een jongedame die haar barbiepoppen zo te zien net had verruild voor een make-up-setje van de HEMA heette ons van harte welkom. Ze begeleidde ons naar een tafel alwaar ze een standaardtekstje opdreunde dat het startsein betekende voor een schranspartij.

De ‘Vretenstijd’ is verdeeld in diverse ruimtes. In tegenstelling tot een gezin dat zich zo te zien had ingeschreven onder de naam ‘Tokkie’ en als culinair experiment begon bij de afdeling toetjes, leek het mij handig om in de rij te gaan staan bij de voorgerechten. Ik heb een hekel aan in de rij staan voor eten. Zeker wanneer je met mensen in een rij staat die zich hebben gekleed alsof ze naar een concert van Frans Bauer gaan. “Heej Sandy, hedde gij die kikkerbillekes al gepruufd? Da smoakt hillemoal nie naar kikker, da’s gewoon kip!” Ik bespaarde mij het blauwe oog door niet te vragen hoe kikker dan precies smaakt. Sandy, die ongetwijfeld denkt dat al het vlees zijn oorsprong vindt in de vrieskist van de Aldi vond het zielig voor de kikker en trok een nog viezer gezicht dan de geplamuurde kutkop die even daarvoor de rij sierde. Over de hoepels in haar oren, die zouden kunnen dienen als ‘walvissen-cock-ring,’ maar te zwijgen!

In een soort slomo-polonaise ging ik met een voorgerecht terug naar mijn tafel waar inmiddels twee puistenkoppen gestationeerd waren die de nobele taak hadden de al dan niet lege borden af te ruimen. Na het legen van mijn bord legde ik mijn bestek neer. Normaal zou dat het sein zijn dat je klaar bent met eten, maar de meer geoefende ‘vreetschuurbezoeker’ pakt zijn bord, staat op en geeft deze in een vloeiende beweging aan een van de puistenkoppen om geen onnodige tijd te verliezen. Er is immers voor twee uur betaald en zoals een goed Nederlander betaamt, moet dat eruit gehaald worden. Vreten tot je niet meer kan! Ik had te doen met het puberale personeel dat uitgebuit wordt conform de horeca cao. Zelfs een aspergestekende Pool vindt dat een te schraal loontje om zijn stinkende stapelbedje uit te komen. En dan stonden ze ook nog in een pakje dat veel weg heeft van de personeelskleding van de Efteling. Of zou dit een practical joke van de eigenaar van ‘Vretenstijd zijn om zo op slinkse wijze te laten blijken dat het personeel klaar staat voor alle onverzadigbare ‘Holle Bolle Gijzen?’

Na anderhalf uur voel je dat je wordt weggekeken, omdat de tafel waaraan je zit gereserveerd is door een andere groep culinaire genieters. Het was een hel om twee uur in de ‘Vretenstijd’ te vertoeven. Gelukkig heb ik het overleefd en is het niet afgelopen zoals mijn vorige bezoek aan een vreetschuur. Dat was de Japanse  vreetschuur ‘Osaka,’ waar ook de drank was afgekocht. Toen werd er twee uur lang drankspelletjes gespeeld onder het eten, hetgeen uiteindelijk uitmondde in het iets te enthousiast uiting geven aan het Aziatische gebruik te boeren na het eten als blijk van waardering. Met heel veel bier in je maag kan dat mis gaan. Zo kon het gebeuren dat de karpers in de wensvijver eindelijk iets fatsoenlijks te eten kregen. Het argument dat ik een enorme dierenvriend ben, maakte op de eigenaar van de Osaka geen indruk. Het scheelde niet veel of ik was in een vechtscene van Quentin Tarintano’s Kill Binzy beland. Gelukkig heb ik met mijzelf afgesproken nooit meer te gaan eten in een vreetschuur!

Ik wil bolletje truffelpepernoten!

Omdat wij Germanen liever met bomen knuffelden dan dat we kerken bouwden, hadden in de Vroege Middeleeuwen  Willibrord en Bonifatius hun handen meer dan vol aan de verspreiding van het christendom in de Lage Landen.  Daar waar  Willibrord toch vooral een gewelddadige jihad voerde, verkoos Bonifatius meer aansluiting te zoeken bij de Germaanse denkwereld. Zo is het Engelse easter of het Duitste Ostern voor Pasen afgeleid van de heidense Godin Eostre. In plaats van vernietiging van heidense gebruiken, werden ze overgoten met een katholiek sausje. Deze truc van syncretisme werd vaak toegepast door de Sinterklaas van het Vaticaan. Zo kon het uiteindelijk ook gebeuren dat er een katholieke kindervriend uit Myra  met zijn staf de heidense God Odin van zijn paard mepte. De vreugdevuren werden vervangen door een open haard en de gemene dwergen door Zwarte Piet.

Iedereen in Nederland heeft als kind zijn schoen gezet. Dat de wortel die je in je schoen had gedaan voor het paard van Sinterklaas helemaal niet door Zwarte Piet werd meegenomen, maar nog diezelfde avond in moeders hutspot verdween, had je in je kinderlijke naïviteit niet eens door. In de maand november en de eerste dagen van december was ik, in tegenstelling tot de rest van het jaar, zelfs het braafste jongetje van de klas. Het meest fantastische Sinterklaasprogramma was ‘Dag Sinterklaas,’ op de Belgische televisie . Bart Peters logeerde vanaf de intocht tot en met pakjesavond in het grote kasteel van Sinterklaas en Zwarte Piet. Buiten scheen het altijd te sneeuwen. Onder het genot van een kopje chocolademelk en echte pepernoten keek ik iedere dag gefascineerd naar dit programma. Dat op pakjesavond Bart afscheid nam van de Sint en de bebaarde goedzak een zapronde later vanuit België ineens Sesamstraat binnenreed, was voor mij de gewoonste zaak van de wereld. Tommy vatte mijn gevoelens nog het beste samen. “Poe he!”

Ik moest het doen met echte pepernoten. Van die hele kleine keiharde units, die eigenlijk niet te vreten waren, maar in ieder geval nog enige troost boden voor de smerige taai-taai en overrijpe mandarijn die je van Zwarte Piet had gekregen. Echte pepernoten, daar moest je het mee doen. Zouden verwende kinderen van nu  bij het krijgen van gewone pepernoten beginnen te huilen? “Ik wil bolletje chocoladeyoghurt-pepernoten-light godverdomme!”

Diewertje Blok presenteerde toen trouwens ‘Ontbijt TV’ voor volwassenen. Ik heb medelijden met Diewertje, die nu zelfs in lager journalistiek aanzien staat dan de blije trutjes van het Jeugdjournaal. Al presenteert ze het Sinterklaas journaal heel leuk. Diewertje zorgt er voor dat heel geestelijk gehandicapt en jeugdig Nederland een maand lang van slag is, omdat er een machine stuk zou zijn in de pepernotenfabriek.  Het schijnt dat ouders van kinderen met ADHD er rond Sinterklaas het beste aan doen hun kroost te voorzien van een dubbele dosis Ritalin. Voor de overige ouders zit er niets anders op dan de chocolademelk van een drupje valium te voorzien. Met dank aan Diewertje Blok!

Hoewel ik niet meer in de Goedgeiligman geloof, is Sinterklaas ook van mij. Ik koester de katholieke kindervriend zoals iedere Nederlander dat doet of zou moeten doen. Iedere veramerikanisering van onze feestdagen dient dan ook in de kiem te worden gesmoord! Ik wil dus voor vijf december niets zien wat te maken heeft met die dikke dombo van de Noordpool. Ik drink voorlopig geen CocaCola (lees: baco)! Ik zal alle kerstbomen die ik tegenkom aftuigen! Het kinderke Jezus ontvreemd ik  uit alle kerststallen en de kerststukjes die ik voor die tijd zie, zet ik in de fik. Ik wil bolletje truffelpepernoten eten! Dus oprotten met die kersttroep voor vijf december!

Gordon Gekko Gertje

Wanneer je met enige weemoed over je eigen jeugd nadenkt, dan weet je dat je de lente van je leven achter je hebt gelaten. De zomertijd is aangebroken. Dat besef ik me maar al te goed. Ik zal dan ook voortaan niet meer om een plakje worst vragen als ik bij het slagersmeisje mijn boodschappen  afreken. De tijd van een plakje Bassieworst ligt reeds achter me. Ik kwam tot dit pijnlijke besef toen ik mijn postvak leegde. Het grote Intertoysboek had zijn weg weten te vinden naar mijn brievenbus. En dat terwijl ik een ‘nee-nee-nee-nee-sticker’ op mijn postgleuf heb geplakt! Vroeger ontdekte ik de hemel in de Intertoys. Mijn broertje en ik werden daar dan ook steevast gedumpt als mijn ouders rustig wilden winkelen. De kinderlijke blijheid van toen had plaatsgemaakt voor pure afgunst. Wat een schijtwinkel!

In de tijd dat ik nog in die oude man met een baard geloofde, omcirkelde ik alles in het Intertoysboek wat ik van de Goedheiligman wilde hebben. Nu gunde ik deze Sinterklaaspropaganda geen blik waardig. Linéa recta de prullenbak in met die reclametroep! Terwijl ik terug de trap op liep, besefte ik dat het Intertoysboek veel meer pagina’s besloeg dan toen het voor mijn generatie bestemd was. Dat komt natuurlijk door die schijt-Gertje, bedacht ik mij. Toen ik nog de leeftijd had om seksueel misbruikt te worden door een katholieke priester zat Gertje nog gewoon op een bank met een hond te praten. Hij kondigde filmpjes aan van Bassie en Adriaan, die op Kreta naar een kist vol zout aan het zoeken waren. Met zijn lelijke Ralph Lauren overhemd speelde Gertje de sociaal onhandige buurman.  De eeuwig naar zijn Marleineke verlangende sociale hork. Nu laat Gertje zich door niemand meer uitlachen. Nu is het Gertje die iedereen uitlacht.

Vroeger werden onze ouders een poot uitgedraaid door die vervelende clown en die acrobaat, maar dat ging om een videoband of een koffiemok. Misschien een kaartje van een paar gulden voor een optreden van het duo in een tot circustent omgebouwde gymzaal, maar dat was het dan wel. Veel verdiende het clownsduo er niet mee. Bassie moest zelfs creatief worden met het doen van zijn belastingaangifte, want anders zou hij  zijn caravan moeten verkopen. ‘Allemamaggies alles is voor Bassie,’ was dan ook zijn reactie toen de FIOD hun onderzoek aan de clown presenteerde. Je kon het de slagroomtaartjes etende clown niet kwalijk nemen. Het pipo-pensioen is immers maar karig.

Tegenwoordig hebben ouders te maken met het imperium van Gertje.  Als er aan kinderen geld te verdienen valt, dan is Gertje van de partij! En dan heeft hij Marleineke ook nog verruild voor de chicks van K3, de ouwe snoepert. En waar is Samson? Die heeft Gertje laten inslapen. Piet Piraat is tegenwoordig de kapitein van Gertje’s zilvervloot. Het zou me niet verbazen als Gertje dit jaar verkleed als wegwijs-Piet tijdens de Sinterklaasoptocht kortingsbonnen voor Plopsaland staat uit te delen. Hij geeft me geen goed gevoel die Gertje. Hij heeft wel wat weg van een notoire vrouwenhandelaar. Gertje heeft die Mega Mindy dan ook vast en zeker geselecteerd op haar zaadvragende ogen. Acteren kan ze in ieder geval niet. Hoe zou die auditie gegaan zijn? ‘Plopperdeplop! Een voltreffer in het oog! En aangenomen om ouders een poot uit te draaien!’ Arme Bassie. Die zit te snikken in zijn grote pakhuis vol merchandising. Niks alles is voor bassie. Alles is voor Gertje! Gordon Gertje is godverdomme de naam!

Benidorm Bastards op het Koningsplein Tilburg

Het is erg jammer dat de postbodes van TNT het Franse voorbeeld niet volgen. Dan had ik mij vandaag niet kwaad hoeven te maken over de laffe brief die Arendse healthclub mij heeft gestuurd. De brief maakte mij woest! De malafide sportschool op het Koningsplein heeft namelijk niet meer dan eens mijn abonnement stilzwijgend verlengd. Na drie jaar onvrijwillige sponsoring dacht ik door het vijf maanden van tevoren opzeggen eindelijk van dit kankergezwel verlost te zijn, maar niets bleek minder waar. “Helaas moeten wij constateren dat wij naar aanleiding van onze betalingsherinnering geen betaling van u hebben ontvangen. Deze situatie is voor ons niet aanvaardbaar.”

Door die laatste zin verslikte ik mij bijna in mijn koffie. De laatste keer dat ik was gaan sporten moet zijn geweest toen Sinterklaas nog gewoon in de hoedanigheid van propper ‘Tai- Bo- lessen’ gaf op de zandstranden van Blanes en Callela. Ik las de zin nog een keer. “Deze situatie is voor ons niet aanvaardbaar.” Hoe durven ze? Zo ga je niet om met je sponsoren! Ik meen dat ik na de intake-test in september 2007 slechts twee weken een frequent bezoeker ben geweest van de trimfiets en de loopband.  Ik was de trotse bezitter van een gouden kaart en omdat ik voor een ongelofelijk mooi kortingspercentage op mijn maandelijkse contributie had gekozen, verschafte het pasje mij enkel overdag toegang tot de Arendse zweethut.

Ik nam echter al bijzonder snel afscheid van mijn sportcarrière.  Overdag werd de sportschool namelijk overspoeld door een tsunami van fanatieke oudjes. Het is niet leuk als je er uit wordt gefietst, gestept en gelopen door opaatjes, die al sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog incontinent zijn en afhankelijk van hulp aan huis. De laatste keer dat ik het aflegde tegen mijn reumatieke vrienden besloot ik dat het genoeg was geweest.  Al lang voordat  Benidorm Bastards op televisie werd uitgezonden, werd ik al in de zeik gezet door de bejaarde medemens. Deze rimpelterreur pikte ik niet langer! En nu doet Arendse daar een sportief sadistisch schepje bovenop. Gelukkig heb ik een half jaar geleden mijn abonnement opgezegd wegens verhuizing.

Niet dat ik verhuisd ben, maar als je je ‘golden membership card’ komt inleveren, vraagt de latent homofiele baliemedewerker net iets te hard, zodat iedereen het kan horen, ‘wat is de reden van opzegging,’ in een laffe laatste poging de sportieve deserteur op andere gedachten te brengen. Ik liet mij echter niet van de wijs brengen, en antwoordde overtuigend dat ik ging verhuizen. Ik ben verhuisd. Dus ik heb de aanmaning niet eens ontvangen! Mochten mijn sportieve ex-vrienden het gore lef hebben nog meer bedelbrieven te sturen, dan zal ik een pennenstrijd starten. Mocht dat niet genoeg zijn, dan kunnen zij een terreur verwachten die ze zich nog lang zullen heugen. Ik schuw het volpoepen van enveloppen niet!

Troetelbeertjes: straal!

Het komt niet vaak voor dat ik ongelijk heb. Het is in een debat niet zozeer belangrijk wat je zegt. Het gaat er meer om hoe je iets zegt. Ik beweer dan ook graag iets om daar vervolgens pas in een later stadium van het gesprek over na te denken. Als ik enkele borreltjes genuttigd heb, schijn ik dat proces van nadenken zelfs geheel achterwege te laten. Zo kon het zijn dat ik een weddenschap had verloren. Als tegenprestatie moest ik bloed gaan doneren bij de bloedbank in Tilburg. Mijn relaas over het feit dat ik reeds orgaandonor ben, werd weggelachen. Wie zou er immers iets hebben aan mijn organen?  Ook kwam ik er niet mee weg door te beweren dat ik een Jehova’s Getuige ben. Het enige dat ik met hen gemeen had, was het verkopen van verbale onzin, zoals de winnares van de weddenschap het omschreef. Er zat niets anders op mij aan te melden bij de bloedbank van het St. Elizabeth Ziekenhuis.

Het was gelukkig langer dan een jaar geleden dat ik seksueel contact heb gehad met een Zuid Afrikaanse heroïnehoer. Ik heb geen piercings of tatoeages en ik heb niets met acupunctuur. Verder heb ik nog nooit de degens hoeven kruisen met de malariamug en is het medicijn Neotigason mij gelukkig onbekend. Kortom: ik kwam voor het bloeddonorschap in aanmerking. Het leek mij in het kader van mijn weekendalcoholisme handig om op een woensdagmiddag af te spreken. Mijn ochtendlijke fruitsmoothies zouden namelijk  ongeveer drie dagen nodig hebben om als een gretig met de wapenstok zwaaiend peloton ME’ers het alcoholische krakersgespuis mijn bloedsomloop uit te meppen. Ik voelde mij dan ook bijzonder fris en fruitig toen ik in de wachtruimte van de bloedbank zat. Ik weet niet wat het is met wachtruimtes. Wat een slap excuus voor een stoel! Een apparaat met een aan zelfkastijding grenzend zitgenot verdient niet eens die naam. Hetzelfde geldt overigens voor de stoeltjes op vliegvelden. Waarom zitten stoeltjes bij plaatsen die een normaal denken mens mijdt altijd als een marteltuig? En waarom liggen er godverdomme altijd panorama’s uit begin 2002 in wachtruimtes?

“Meneer de Kruijk!” Mijn ergernis omtrent de stoeltjes en oude panorama’s werd in een keer teniet gedaan door een aan pornografie grenzende hese stem. Een hese stem hoeft niet per definitie lustopwekkend te zijn. Meestal klinkt zo’n vrouw alsof ze pure nicotine uitademt van de twee pakjes shag die ze per dag dwangmatig wegblaft. Als je met zo’n vrouw een kort gesprek voert, hoef je zelf een week niet te roken. Voor deze hese stem gold dat niet. Integendeel. Dit was een stem die liefde ademde. Een gevoel van blijdschap maakte zich van mij meester. Ik weet niet hoe het kwam, en het klinkt misschien een beetje gay, maar ik moest ineens denken aan de troetelbeertjes. ‘Troetelbeertjes, straal!’ Om het cliché van ‘hete verpleegster’ nog meer kracht bij te zetten, stond er een ware designbril op haar lieve neusje. Een carrièremove voor Sandra van de bloedbank naar de spermabank zou zeker geen onverdienstelijke zijn.

Ik mocht met Sandra mee naar een kamertje waar de medische keuring zou plaatsvinden. Na het opmeten van mijn bloeddruk en het afnemen van wat bloed voor nader onderzoek, beperkte het medical exam zich tot het stellen van vragen. Sommige vragen vond ik logisch. Tropische ziektes, homofilie en of ik homofiele seksuele activiteiten had ontplooid, passeerden de revue. Ook de vragen over het spuiten van drugs en het al dan niet hebben gehad van een bloedtransfusie leken me niet meer dan logisch. Andere vragen kon ik minder plaatsen.

“Bent u tussen 1 januari 1980 en 31 december 1996 bij elkaar opgeteld 6 maanden of langer in het Verenigd Koninkrijk geweest? Dit omvat ook de Kanaaleilanden.” Ik kon natuurlijk een bijdehante vraag stellen over wat Utrechtse hangjongeren hiermee van doen hadden, maar Sandra keek me na iedere vraag bijzonder streng aan door haar designbril. Ik beantwoordde braaf alle vragen die Sandra me stelde. Donderdag 5 november mag ik weer bij Sandra komen. Als een verwende kleuter die stiekem alle chocolaatjes van zijn adventkalender heeft opgegeten, omdat hij niet kan wachten op zijn kerstcadeaus, kijk ik uit naar 5 november. “Remember, remember, the fifth of November,” hoorde ik in de film die ik vanavond heb gekeken. Toeval bestaat niet. Ik ben verliefd.

Gemene huisvrouwen!

Het zal je maar gebeuren dat je op je vrije dag belandt in de Mediq apotheek. Helaas overkwam het mij vandaag. Ik was daar voor het kopen van hoestcapsules. Uiteraard heeft mijn ochtendhoest niets van doen met het roken van sigaretten. Steevast maak ik mezelf wijs dat ik kou heb gevat als mijn rochels en ik hun dagelijkse strijd voeren boven het doucheputje. De apotheek bleek het domein van de huisvrouw en de bejaarde medemens. Omdat een inmiddels rood aangelopen huisvrouw voor het hele bejaardentehuis medicijnen kwam halen, stond ik hier nog wel even. De gesprekken gingen voornamelijk over hormonen en ziek zijn. Ik voelde mij als een soort antropoloog, die een nieuwe stam had ontdekt in het diepe oerwoud van Brazilië. Er ging een voor mij tot dusver onbekende wereld open!  De wereld van omgekeerde opschepperij.

Een van de huisvrouwen begon vrolijk te vertellen hoe haar ingegroeide teennagel was gaan ontsteken. Haar buurvrouw vertelde over haar opvliegers.  De opvliegers werden door een bejaarde vrouw geattaqueerd met haar reuma waarop een andere lelijke vrouw dat listig wist te chargeren door het inzetten van haar onlangs geopereerde ontstoken blinde darm, verkoudheid en migraine. Uiteraard kon ik niet achterblijven in dit bijzondere gevecht om medelijden. “Schaamluis is ook niet alles,” zei ik terwijl ik met mijn hand een kleine ‘Al Bundy- imitatie’ weggaf. Ironie bleek een gevaarlijk goed in een ruimte waar oestrogeen de boventoon voert.  De gemene blikken van de zieke huisvrouwen zijn dodelijk!  Even voelde ik mij weer die kleuter met een pleister tegen scheelheid onder zijn regenboog montuurtje. Luiheid zat er bij mij al vroeg in. Zelfs mijn ogen beschikten over die ondeugdelijke eigenschap. Volgens mijn moeder, die een innige en intense band onderhoudt met haar schoonfamilie, zijn dat duidelijk de genen van mijn vaders kant, maar dit terzijde.

Een half uur heb ik daar met een rood aangelopen kop gestaan alsof ik degene was die last had van opvliegers. Net als de antropoloog die de Braziliaanse stam bestudeerde, was ik in de kookpan beland. ‘Don’t fuck met in de overgang zijnde vrouwen!’ Ik beloofde mijzelf nooit meer een bijdehante opmerking te maken in het bijzijn van zoveel met hun gezondheid tobbende vrouwen. Mijn self confidence was tot een gevaarlijk dieptepunt gedaald! Weet iemand hoe het voelt als het stickertje van de juf voor het goed oplezen van de tafel van 2 niet in je schriftje wordt geplakt maar op je oogpleister? Het was misschien wat aan de vroege kant voor mijn vriend Jack, maar ik was duidelijk toe aan een goede borrel. Gemene huisvrouwen!

Pluizig tuig (2)

Het zal je maar gebeuren dat je op je vrije dag belandt in de Mediq apotheek. Helaas overkwam het mij vandaag. Ik was daar voor het kopen van hoestcapsules. Uiteraard heeft mijn ochtendhoest niets van doen met het roken van sigaretten. Steevast maak ik mezelf wijs dat ik kou heb gevat als mijn rochels en ik hun dagelijkse strijd voeren boven het doucheputje. De apotheek bleek het domein van de huisvrouw en de bejaarde medemens. Omdat een inmiddels rood aangelopen huisvrouw voor het hele bejaardentehuis medicijnen kwam halen, stond ik hier nog wel even. De gesprekken gingen voornamelijk over hormonen en ziek zijn. Ik voelde mij als een soort antropoloog, die een nieuwe stam had ontdekt in het diepe oerwoud van Brazilië. Er ging een voor mij tot dusver onbekende wereld open!  De wereld van omgekeerde opschepperij.

Een van de huisvrouwen begon vrolijk te vertellen hoe haar ingegroeide teennagel was gaan ontsteken. Haar buurvrouw vertelde over haar opvliegers.  De opvliegers werden door een bejaarde vrouw geattaqueerd met haar reuma waarop een andere lelijke vrouw dat listig wist te chargeren door het inzetten van haar onlangs geopereerde ontstoken blinde darm, verkoudheid en migraine. Uiteraard kon ik niet achterblijven in dit bijzondere gevecht om medelijden. “Schaamluis is ook niet alles,” zei ik terwijl ik met mijn hand een kleine ‘Al Bundy- imitatie’ weggaf. Ironie bleek een gevaarlijk goed in een ruimte waar oestrogeen de boventoon voert.  De gemene blikken van de zieke huisvrouwen zijn dodelijk!  Even voelde ik mij weer die kleuter met een pleister tegen scheelheid onder zijn regenboog montuurtje. Luiheid zat er bij mij al vroeg in. Zelfs mijn ogen beschikten over die ondeugdelijke eigenschap. Volgens mijn moeder, die een innige en intense band onderhoudt met haar schoonfamilie, zijn dat duidelijk de genen van mijn vaders kant, maar dit terzijde.

Een half uur heb ik daar met een rood aangelopen kop gestaan alsof ik degene was die last had van opvliegers. Net als de antropoloog die de Braziliaanse stam bestudeerde, was ik in de kookpan beland. ‘Don’t fuck met in de overgang zijnde vrouwen!’ Ik beloofde mijzelf nooit meer een bijdehante opmerking te maken in het bijzijn van zoveel met hun gezondheid tobbende vrouwen. Mijn self confidence was tot een gevaarlijk dieptepunt gedaald! Weet iemand hoe het voelt als het stickertje van de juf voor het goed oplezen van de tafel van 2 niet in je schriftje wordt geplakt maar op je oogpleister? Het was misschien wat aan de vroege kant voor mijn vriend Jack, maar ik was duidelijk toe aan een goede borrel. Gemene huisvrouwen!

Woknok

 

Ik doe mijn boodschappen altijd bij de Albert Heijn. Dat is niet omdat ik dol ben op hamsteren of seksueel opgewonden raak van het gebruik van mijn bonuskaart, maar omdat het nu eenmaal de dichtstbijzijnde supermarkt is. Een leuke bijkomstigheid is dat de kassameisjes van de Albert Heijn doorgaans niet worden geselecteerd op hun lelijkheid, zoals ze bijvoorbeeld bij de Aldi wel doen om de bedrijfscultuur zo Duits mogelijk te houden. Daar waar je in de Albert Heijn slechts sporadisch een vrouwelijke trol tegenkomt, zo lijkt bij andere supermarkten het trolschap een voorwaarde te zijn om je in zo’n aftandse supermarktoutfit te mogen hijsen. Gatverdamme! Bij andere supermarkten zie ik er dan ook altijd enorm tegenop om af te rekenen. Omdat mijn favoriete kassameisje Eveline op vakantie was naar Kreta om haar ‘woknok’ door een Haagse anabool uit te laten wonen en ik in de stad moest zijn om tegen mijn principes in te winkelen, besloot ik bij de Super de Boer mijn boodschappen te doen.

Een beetje onwennig pakte ik mijn mandje en liep naar de groenteafdeling. Een stel, dat hier zo te zien iedere donderdagavond een gezamenlijk uitje van maakte, stond enorm een stel te zijn. De jongeman legde zonder overleg een bakje champignons in het gemeenschappelijke mandje. Dat viel niet in goede aarde bij zijn vriendin, die het bakje geïrriteerd teruglegde. “Godverdomme, Erik! Kappen nou, ik heb een recept!” Ik kon het niet laten hierop te reageren. “Luisteren naar de baas, Erik,” zei ik terwijl ik het bakje champignons in mijn mandje legde. Erik kon mijn humor waarderen. Zijn baas echter niet. Ik maakte mij snel uit de voeten.

Het vervelende aan boodschappen doen in een onbekende supermarkt is dat je je voelt als een blinde die een drukke weg is overgestoken, maar nog niet doorheeft dat zijn trouwe viervoeter zojuist door een Fiat Panda is platgewalst. Ik deed alsof ik precies wist welke route ik bewandelde, maar had geen flauw idee waar dat verdomde blikje Goulashsoep zou staan! Waarom was ik überhaupt op zoek naar Goulashsoep? Potverdomme! Dat kwam natuurlijk door die ongure Roma, die mij al spelend op zijn gejatte viool het straatnieuws probeerde te verkopen en de auto-onderdelen onder mijn kleding vandaan loerde. Door dit voor uitzetting rijp zijnde stuk ongeluk zat ik met een nummer van de ‘Gipsy Kings’ in mijn hoofd! Nu ben ik niet voor uitzetting van Roma. Ik ben van mening dat we die energie veel beter kunnen steken in de uitroeiing van het krakersgespuis. Ook krakers weten shampoo en zeep niet op waarde te schatten, houden van het vuilnisbakkenras en koesteren een intense liefde voor ongelofelijke pokkenmuziek! In ieder geval stond mijn voorgerecht al vast. Goulashsoep met champignons.

Voor het hoofdgerecht liet ik mij inspireren door Knorr wereldgerechten. Dat breekt zo lekker de week! Als toetje ging ik voor Griekse yoghurt met walnoten en honing. Dat kon ik mooi oppeuzelen tijdens het aanschouwen van ‘Oh oh Cherso.’ Ik had er een half uur over gedaan om mijn mandje te vullen. Ik wilde hier zo snel mogelijk weg, maar ik zag er enorm tegenop om af te rekenen. Als een anorexiameisje dat gedwongen wordt een doos slagroomsoezen op te eten, legde ik mijn spullen op de band. De Super de Boer moet gezien het kassagedrocht, dat zich ontfermde over mijn boodschappen,  een uitwisselingsproject zijn gestart met de Efteling. Wat een laaf! “Meneer, u moet u prei wel wegen!” Wat had ik nou in mijn Goulashsoep? In de Appie doet Eveline dat altijd voor mij! Ik kom nooit meer in de Super de Boer. Nee, ik hoefde geen koopzegels en ze kon stikken in haar ‘Webbie.’ Ik kan niet wachten tot Eveline terug is!